Voorbeelden van vragen en antwoorden
Vraag 271
Mag je de kelder van een woning gaan gebruiken als verblijfsruimte? (slaapkamer / woonkamer).Antwoord 271
Ja, dat mag, maar dan zal de kelder moeten voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan verblijfsruimten van woonfuncties en het bestemmingsplan mag zich tegen dat gebruik dan niet verzetten. Wanneer de kelder gaat verbouwen is wel een reguliere bouwaanvraag noodzakelijk.Wat betreft de beoordeling tegen het Bouwbesluit 2003 moet worden uitgegaan van de fictie dat de kelder reeds onderdeel is van de woonfunctie. Wanneer niets aan de kelder wordt verbouwd, dan dient de kelder minimaal te voldoen aan de eisen voor bestaande bouw.
Indien men wel gaat verbouwen, ofwel omdat de kelder niet voldoet aan de eisen voor een bestaande woonfunctie, de zogeheten gedongen verbouwing, ofwel omdat de verbouwing zelf wenselijk wordt geacht, dan moet datgene wat men nieuw maakt voldoen aan de eisen voor nieuwbouw. Dit volgt uit artikel 4, tweede volzin, van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij echter op basis van artikel 6 van de Woningwet in verbinding met paragraaf 1.5 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing verlenen van de nieuwbouweisen.
B&w mogen de onderdelen die geen onderdeel zijn van de verbouwing niet in de bouwaanvraag betrekken. Dit is bijvoorbeeld het geval als de kelder niet thermisch is geïsoleerd.
Wel kunnen b&w op grond van artikel 13 e.v. van de Woningwet via een aanschrijving de bewoners dwingen voorzieningen te treffen ten einde te bereiken dat de kelder aan betere prestaties voldoet dan die van Bouwbesluit 2003, bestaande bouw. B&w zullen zo'n aanschrijving terdege moeten motiveren.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 286
Is een schotelantenne op een inpandig balkon aan de voorzijde van een flatgebouw wel of niet bouwvergunningplichtig?Antwoord 286
Een dergelijke schotelantenne is vergunningsvrij mits is voldaan aan het gestelde in artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Dat betekent dat de schotel geen grotere diameter heeft dan 2 m en de hoogte van antenne met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet groter is dan 3 m. Zolang de antenne achter het voorerf blijft (en dus volledig in het inpandige balkon is geplaatst) is een bouwvergunning niet nodig.© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 287
Is het aanbrengen van reclamedoeken tegen een bestaand pand bouwvergunningplichtig ?Antwoord 287
Dit betreft geen bouwen. Derhalve is het bouwvergunningsstelsel niet van toepassing. Dat wil niet zeggen dat een reclame-uiting zomaar mag worden opgehangen. Het vereiste van een reclamevergunning is geregeld op grond van de APV, genomen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet.© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 322
Conform het Bouwbesluit 2003 dient in veel situaties een toegang een dagmaat (breedte) van 850 mm te hebben. Bij dubbele loopdeuren is één der delen de loopdeur en het andere deel het "vaste deel". Het vaste deel is wel te openen. Wordt de dagmaat van een kozijn bij een dubbele deur gemeten over het gehele kozijn of enkel over de loopdeur ?Antwoord 322
De dagmaat bij een dubbele deur wordt gemeten over het gehele kozijn.© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 327
Kunnen er bij het verlenen van de vergunning brandveilig gebruik ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 aanvullende brandwerendheidseisen worden (bijvoorbeeld: een scheidingsmuur mag geen 20 minuten brandwerend zijn, maar moet 30 minuten brandwerend zijn) ?Antwoord 327
In het kader van de vergunning brandveilig gebruik kunnen er geen bouwtechnische eisen worden gesteld. Alvorens de gebruiksvergunning kan worden verleend, zal moeten worden beoordeeld of het gebouw bouwkundig aan het Bouwbesluit 2003 voldoet, gerelateerd aan het beoogde gebruik. Daartoe zal de gemeente toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Woningwet. Een gemeente kan aanschrijven indien een niet tot bewoning bestemd gebouw niet voldoet aan de voorschriften die voor een bestaande gebouw in het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen. Daarnaast mag een gemeente, mits terdege gemotiveerd en toegesneden op het specifieke geval, hogere eisen stellen, doch niet hoger dan het nieuwbouwniveau.Wanneer het gebouw bouwkundige aldus voldoet aan het Bouwbesluit 2003 zal de gemeente zonder gebruikbeperking de vergunning brandveilig gebruik kunnen verlenen.
Wanneer het gebouw bouwkundige voldoet aan het niveau dat het Bouwbesluit 2003 voor de bestaande bouw kent, maar niet aan het door de gemeente noodzakelijke geachte niveau gelet op het beoogde gebruik, zal de gemeente in de gebruiksvergunning brandveilig gebruik beperkingen aan dat gebruik kunnen opleggen.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 341
Een woongebouw (4 lagen, 7 woningen, totaal oppervlakte aan verblijfsgebied <800 m²) wordt ontsloten door een lift. Tevens is er een veiligheidstrappenhuis. Moet dit veiligheidstrappenhuis voldoen aan de criteria zoals omschreven in artikel 2.28a, kolom B, of kan men dit trappenhuis vormgeven als "brandtrap" ?Antwoord 341
Ook als men een trap aanmerkt als 'brandtrap', zal deze moeten voldoen aan afdeling 2.5 van het Bouwbesluit 2003.Onderscheid moet worden gemaakt tussen trappen die dienen om woonfuncties te ontsluiten, d.w.z. tevens moeten kunnen worden gebruikt voor het stijgende verkeer van het maaiveld naar de woning, en andersoortige trappen. Op grond van afdeling 2.4 van het Bouwbesluit 2003 moet een woning worden ontsloten door een trap of een hellingbaan, ook als er is voorzien is in een lift. De aanduiding "brandtrap", heeft dus voor dit plan geen betekenis omdat het tevens de hoofdtrap is. Zou een hoofdtrap ontbreken, dan voldoet het bouwplan niet aan het Bouwbesluit 2003.
Bij de interpretatie van artikel 2.28, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 is het tekstgedeelte 'die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 voor het bereiken van een verblijfsgebied' van belang.
De noodzakelijke breedte van een trap is afhankelijk van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied die op die trap is aangewezen.
Beneden in het trappenhuis moet de trap vermoedelijk voldoen aan de criteria zoals omschreven in artikel 2.28a, kolom B. Immers, op die trap zal meer dan 600 m² aan verblijfsgebied zijn aangewezen.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 344
Mag een badkamer bereikbaar zijn vanuit een verblijfsruimte ?Antwoord 344
Ja, dat is toegestaan. De nieuwbouwvoorschriften met betrekking tot de bereikbaarheid van een badruimte staan in artikel 4.45 in verbinding met artikel 4.48 van het Bouwbesluit 2003.© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 347
Moet een houten dragende vloerconstructie in een woning getoetst te worden op doorbuiging of alleen maar op sterkte ?Antwoord 347
De eisen aan de vervorming van vloeren zijn met ingang van 1 januari 2003 vervallen. Alleen de sterkte mag door de gemeente worden getoetst, niet de doorbuiging. De stijfheid kan echter wel een rol spelen bij het bepalen van de respons van de constructie. Dat is met name van belang bij statisch onbepaalde bouwconstructies.Dit laat onverlet dat het verstandig is de doorbuiging wel zelf te controleren, want een slappe vloer kan een onveilig gevoel oproepen en leiden tot schade aan binnenwanden en meubilair.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 359
Men wil een aanbouw, uitbouw of serre aan een woning bouwen. De oorspronkelijke gevel verspringt echter. Hoe moet de toegestane diepte van de uitbouw te worden bepaald?Antwoord 359
Om bouwvergunningsvrij te mogen bouwen moet op ieder punt op de gevel voldaan zijn aan de voorwaarde dat de aanbouw niet dieper mag zijn dan 2,5 meter. Daarbij dient de afstand te worden gemeten meten haaks op de oorspronkelijke gevel.De nieuwe uitbouw zal dan ook dezelfde vorm krijgen als de oorspronkelijke gevel indien op ieder punt 2,5 meter wordt uitgebouwd. Zie ook onderstaande figuur.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 375
Wat is het verschil tussen een uitbouw en een aanbouw? Wat is het verschil met een bijgebouw?
Antwoord 375
Met een aanbouw wordt een afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw toegevoegd en met een uitbouw wordt een bestaande ruimte in het hoofdgebouw vergroot. In beide gevallen wordt het hoofdgebouw uitgebreid en in beide gevallen geldt dat de nieuwe ruimten toegankelijk zijn vanuit het hoofdgebouw (zie ook de toelichting bij het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, Stb. 2002, 410, blz. 27). Het verschil met een bijgebouw is gelegen in het feit dat bij een bijgebouw geen verbinding bestaat tussen het hoofdgebouw en het bijgebouw. Een bijgebouw dient voorts in architectonische zin ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan dus wel tegen het hoofdgebouw worden aangebouwd. Een garage die tegen een woning is gebouwd kan dus wel degelijk een bijgebouw zijn. Indien er echter een verbindingsdeur wordt aangebracht vanuit de woning naar de garage zal sprake zijn van een aanbouw.
Vraag 478
Voor bouwplaatsinrichtingen, "bouwketen, plaatsingduur ongeveer 1 á 2 jaar", werd tot 2003 geen bouwvergunning aangevraagd. Is dit nu wel verplicht? En valt dit dan onder niet-permanente bouw of gelden deze regels niet voor een bouwplaatsinrichting?Antwoord 478
Ook (tijdelijke) gebouwen en bouwwerken voor een bouwplaatsinrichting vallen onder het bouwvergunningregiem van de Woningwet. Dit volgt uit de artikelen 40, 43 en 45 van de Woningwet en het Besluit licht-bouwvergunningsplichtige en bouwvergunningsvrije bouwwerken.Bij de uitleg van deze artikelen spelen de in artikel 1 van de Woningwet gegeven begripsbepalingen "bouwen" en "gebouw" een belangrijke rol.
Uit jurisprudentie blijkt dat indien een bouwwerk meer dan 31 dagen ergens staat, dit gezien moet worden als een bouwwerk in de zin van de Woningwet en er dus in principe een bouwvergunning benodigd is.
Het is dus niet zo dat er bij het aanvragen van een bouwvergunning voor het oprichten of veranderen van een bouwwerk automatisch een bouw vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een bouwkeet.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 566
Onder welke gebruiksfunctie valt een bibliotheek? Mogen de kantoorruimten van de bibliotheek onder dezelfde gebruiksfunctie vallen?Antwoord 566
De aanvrager van een bouwvergunning bepaalt onder welke gebruiksfunctie een gebouw of een deel van een gebouw valt. Men dient zich wel te realiseren dat men met deze keuze wel het niveau van eisen en de gebruiksmogelijkheden vastlegt. Gelet op de begripsbepalingen in het Bouwbesluit, artikel 1.1, leden 3 en 4, kan een bibliotheek vallen onder de categorie winkelfunctie, maar ook bijeenkomstfunctie. Dit is afhankelijk van de wijze waarop de bibliotheek gebruikt zal gaan worden.Een kantoorruimte zal als kantoorfunctie moeten worden aangevraagd. In dit geval is dat dan tevens een nevenfunctie van de winkel- of bijeenkomstfunctie.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw
Vraag 571
Is het mogelijk artikel 2.157 van het Bouwbesluit 2003 uit te leggen?Antwoord 571
Artikel 2.157 van het Bouwbesluit 2003 is slechts van toepassing op woonfuncties, gelegen in een woongebouw. Immers, een woonfunctie, niet gelegen in een woongebouw, is geen subbrandcompartiment.Artikel 2.157 geeft voorschriften met het oog op vluchten uit een subbrandcompartiment, maar in een aantal situaties binnen een rookcompartiment, die voor een woonfunctie samenvalt met een brandcompartiment. Dit laatste is met name het geval in een corridorflat en een portiekflat.
Eerste en tweede lid
Om veilig te kunnen vluchten uit een subbrandcompartiment (sbc) van een woonfunctie moeten er bij de toegang van het subbrandcompartiment, indien dat de enige toegang is, ten minste twee afzonderlijke rookvrije vluchtroutes beginnen (eerste lid). Indien het subbrandcompartiment twee of meer toegangen heeft, mag bij elk van deze toegangen één rookvrije vluchtroute beginnen. Ten minste twee van deze rookvrije vluchtroutes vallen nergens samen (tweede lid).
Er worden twee rookvrije vluchtroutes geëist, zodat er altijd nog één vluchtroute over is wanneer de andere door de brand, dat wil zeggen vuur of rook, wordt geblokkeerd. Er is sprake van twee afzonderlijke rookvrije vluchtroutes, als de rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen, met ander woorden als ze niet door dezelfde ruimten en/of doorgangen lopen. Om het mogelijk te maken dat twee afzonderlijke rookvrije vluchtroutes bij één toegang beginnen, is toegestaan dat ze bij de toegang samenvallen, en daar ook in één ruimte liggen.
Bedacht moet worden dat als die routes beide aan verschillende kanten langs een zelfde subbrandcompartiment voeren, er nog altijd sprake kan zijn van een situatie die vluchten onmogelijk maakt. Om die reden regelt artikel 2.166 in verbinding met artikel 2.168 van het Bouwbesluit 2003 dat tussen twee ruimten waardoor onafhankelijke rookvrije vluchtroutes voeren de wbdbo ten minste 30 minuten moet zijn.
De eis dat de rookvrije vluchtroutes van een subbrandcompartiment niet samenvallen, is onnodig streng, als de voldoende kans klein is dat de (samenvallende) route door brand wordt geblokkeerd. Die kans wordt voldoende klein geacht als de samenvallende rookvrije vluchtroute binnen het rookcompartiment niet langs een (of meer) andere subbrandcompartiment(en) voert en evenmin door een trappenhuis.
Dit voorschrift heeft men name betrekking op een galerijflat, waarbij één woning voorbij het trappenhuis is gelegen.
Vierde lid
Onder strenge voorwaarden mag een samenvallend gedeelte van rookvrije vluchtroutes van een subbrandcompartiment (sbc), binnen een rookcompartiment (rc) toch langs een ander subbrand-compartiment voeren. De voorwaarden zijn:
(a) dat deze uitzondering slechts geldt voor ten hoogste twee subbrandcompartimenten,
(b) dat de toegangen van beide subbrandcompartimenten recht tegenover elkaar liggen, en
(c) dat het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert van één van beide subbrandcompartimenten.
Aan alle drie de voorwaarden moet gelijktijdig zijn voldaan.
Vijfde lid
Ten slotte wordt, in onderdeel a t.m. c van het vijfde lid, nog een uitzondering gemaakt voor een rookcompartiment met portiekwoningen. Het gaat hierbij telkens om situaties waarbij het vluchten uitsluitend via een vluchttrappenhuis plaatsvindt. Aan één van de drie beschreven situaties moet zijn voldaan. Wanneer eerst in horizontale richting moet worden gevlucht alvorens het vluchttrappenhuis te bereiken, zal toepassing moeten zijn gegeven aan de voorschriften van artikel 2.157, eerste tot en met vierde lid.
Een samenvallend gedeelte van rookvrije vluchtroutes van een subbrandcompartiment (sbc) mag binnen een rookcompartiment (rc) toch langs een ander subbrandcompartiment en/of door een trappenhuis voeren, als is voldaan aan de in het vijfde lid, onderdeel a of onderdeel b, genoemde voorwaarden. Onderdeel c beschrijft de situatie waarbij het vluchttrappenhuis zich buiten het brandcompartiment en daarmee dus ook het rookcompartiment bevindt. Immers, een veiligheidstrappenhuis mag slechts vanuit een subbrandcompartiment via een niet-besloten ruimte worden bereikt. Bovendien moet tussen een brandcompartiment en een veiligheidstrappenhuis een wbdbo aanwezig zijn van ten minste 60 minuten.
Bedacht moet verder nog worden dat men name voor een galerijflat artikel 156 een omissie bevat. Zowel de galerijen als de balkons zullen niet in het brandcompartiment liggen. Een buitendeur van een subbrandcompartiment is dan tevens de uitgang van een brandcompartiment. De wetgever heeft helaas voor deze situatie geen vergelijkbare regeling getroffen als is geregeld in artikel 2.157, derde lid.
© Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw